Bangladesh 2010

Na Nepal ben ik een weekje in India, Siliguri. Even luieren, struinen en schrijven in een comfortabel hotelletje, al mijn kleren weer eens schoonboenen, informatie voor Bangladesh verzamelen enz. Een week is zo voorbij. India is als vanouds maar hier in Siliguri wonderlijk relaxt, toeristen zijn hier nauwelijks. Tussen de brug, de nieuwe flats en de super vervuilde rivier ligt de sloppenwijk. Een wirwar van zeiltjes, golfplaten, oude planken en lappen en supersmalle steegjes. In en langs de rivier poepen kinderen en volwassenen, in het vervuilde water van de rivier spelen de kinderen en doen vrouwen de was, India op zijn smalst.
En dan op naar Bangladesh…

De dichtstbijzijnde grensovergang is maar 10km fietsen maar helaas, ik mag er niet door, er zijn daar geen stempelkantoortjes. Nou ja, dan fiets ik nog maar een stukkie door naar de volgende. Die grensovergang is volgens alle gidsen een heel belangrijke maar ligt ergens in niemandsland. Het stempelkantoor ligt zo verscholen, voor ik het weet ben ik eraan voorbij. Maar een blanke vreemdelinge blijft hier niet lang onopgemerkt, zeker als die op de fiets is. Plotseling duikt een jongen voor me op die me naar het hobbelige zandpad begeleidt waar het stempelkantoor ligt, gevolgd door een stoet nieuwsgierige mensen.
Een gammele hut, een rij verweerde houten tafels en een reeks ambtenaren daarachter, strak in het uniform zoals dat in India gewoon is. Planken vol grote bruine boeken tot aan het plafond. Ook op de tafels liggen stapels van deze enorme boeken. Een ambtenaar neemt een van de opengeslagen boeken en schrijft daarin heel nauwkeurig de gegevens van mijn paspoort in.
Een serieuze bezigheid die veel geduld vraagt. Beleefd glimlachen, handjes vouwen, een lullig klein stempeltje in mijn paspoort en mijn exit stempel is een feit. Ik trek mijn fiets weer door het zand, wissel een berg Indiase roepies in Bangla taka onder het genot van een glaasje masala tea, passeer nog wat controles, de slagboom gaat omhoog en ik verruil India voor een nieuw land vol mysteries.

Welcome in Bangladesh!
Een stuk of twintig jongens en mannen begroeten me alsof ik een bekendheid ben. Bij de douane is het een vrolijke boel, een paar korte vragen, hoeveel geld ik bij me heb en ik mag door naar de paspoortcontrole. Dat is nog even zoeken want het staat nergens aangegeven. Maar ook hier valt een fietsende vreemdelinge op zodat ik gauw op de juiste plek ben. Ik ga het stenen gebouwtje binnen, snel wordt een stoel aangeschoven en tot mijn verbazing geen stapels boeken maar een computer waar mijn gegevens in verdwijnen. Een vrolijke ambtenaar, vragen als hoelang blijf ik, waar ga ik naartoe en vooral waar slaap ik vannacht want het is al ver in de middag. Een entry stempel en klaar. Wat een ontvangst!
Een paar kilometer verder ligt het dorpje Burimari, het heeft een hotel. Maar ook daar fiets ik aan voorbij want het hotel is niet aangegeven. Nou ja, wel dus maar ik kan het niet lezen want alles is in het Bangla aangegeven. Met wat hulp vind ik het dan toch. De kamer kost welgeteld 150 taka, dat is ongeveer anderhalve euro. Ik ben benieuwd wat ik daarbij cadeau krijg! In elk geval een eigen badkamer met hurkplee (mijn voorkeur). De douche is een slang uit de muur waarmee ik de emmer kan vullen met ijskoud water. De kamer is zelfs nog een beetje ingericht met een gammel bureautje, een stoel en een nachtkastje. Daar zit een luid knagend beestje dat zich niet laat zien, waarschijnlijk alleen in het hout is geïnteresseerd. Het gordijntje aan het gedeelde balkon met de buren zijn ze vergeten maar op mijn verzoek wordt er wat geïmproviseerd. Het bed is enorm en ontzettend hard, oeps! Ik ben heel wat gewend met harde matrassen maar deze is echt hard. Een dun keihard matrasje op houten planken, nog een soort deken daar overheen, niet te veel naar kijken… Ik spreid mijn lakenzak uit en hang mijn muskietennet op tegen ongewenste nachtelijke bezoekers.

Pepers
Het hotelknaapje biedt aan me naar een eettentje op de markt te brengen, hij spreekt een beetje Engels. Dat had ik zelf niet kunnen vinden in de chaos van al die kleine eetschuurtjes aan modderige straatjes. We vinden een schuurtje waar ze rijst en groente hebben. Al die verbaasde gezichten wanneer ik vertel dat ik geen vlees of kip eet! Ik heb best trek, bestel een bord rijst en een schaaltje groente dat nog het meest lijkt op kool, dat is het enige wat ze hebben. De jongen bestelt voor zichzelf ook een bordje rijst en een stukkie kip.
Nietsvermoedend schep ik de groente door de rijst en val aan. Al bij de eerste hap staat mijn hele hoofd in brand! Het zweet breekt me uit, ik probeer mijn eetapparaat te blussen met een flesje frisdrank maar dat helpt niet echt. Ik doe nog flink wat rijst op mijn bord maar dat blijkt een hopeloze poging, het blijft moordend brandend heet. Drie happen en twee flesjes later geef ik op. De groente zit zo vol chilipepers dat er minstens een soeppan rijst nodig is om het eetbaar te maken. Voor mij dan want de jongen werkt het zonder een spier te vetrekken met veel smaak naar binnen. Een les snel geleerd. De twee maaltijden kosten bij elkaar nog geen euro. Later leer ik dat de Bangla pepers de heetste ter wereld zijn.

We lopen in de donkere straatjes van de markt, de stroom is uitgevallen, winkeltjes en eettentjes worden verlicht met kaarsen of door kookpotten. In een mum van tijd ben ik bijna opgeslokt door een menigte die alleen maar aangroeit. Iedereen wil weten waar ik vandaan kom, wat is mijn naam, wat doe ik hier en iedereen wil wel op de foto. Het hotelknaapje doet een poging me uit de menigte te trekken, hij vindt het welletjes. Maar ik niet, het is eigenlijk best gezellig, iedereen is vrolijk en uitgelaten maar niet opdringerig, een verademing na India. In een winkeltje drink ik lekkere warme thee met melk. Met twee gekookte eitjes om mijn avondmaal nog wat vorm te geven ga ik weer terug naar de stilte van mijn hotelkamer, maak een noedelsoepje en kruip in mijn slaapzak, boordevol nieuwe indrukken. Er wordt een paar keer op mijn deur geklopt maar ik reageer niet. Dan wordt er een rookspiraaltje onder de deur geschoven tegen de muggen, ik schuif het gauw terug voor ik een hoestaanval krijg. Daarna blijft het stil op het geknaag in het kastje na.

Halyānḍa!

Zo druk als het gisteren was, zo stil is het de volgende dag, vrijdag, de rustdag in Bangladesh, tenslotte is het een islamitisch land. Om vijf uur in de ochtend word al ik gewekt door het gezang van de imam. Na een zelfgemaakt ontbijt van havermout trek ik om acht uur verder Bangladesh in. Het is flink fris in de ochtend en behoorlijk mistig. Niettemin ziet men mij al van verre aankomen. Vanaf de velden roepen en zwaaien de kinderen, hele families trekken de straat op om me gedag te zeggen. De eerste vraag is steevast waar ik vandaan kom en minstens honderdmaal per dag beantwoord ik die vraag, “Halyānḍa!”. Anderen blijven me in opperste verbazing en grote ogen nakijken. Zodra ik even stop heb ik meteen een menigte nieuwsgierigen om me heen, waar kom ik vandaan, wat is mijn naam, mijn beroep… Ze zijn allemaal vreselijk nieuwsgierig en vreselijk verheugd om de afleiding die hun dagelijks bestaan voor even verstoort. Een westerling zien ze hier bijna nooit en zeker niet op de fiets. Voor de meesten is het de eerste keer dat ze zo’n gekke vreemdeling in het echt zien.